De burgemeester van Roosendaal legde op 23 september 2020 een last onder bestuursdwang op tot sluiting van de woning van eiser voor drie maanden vanwege de aanwezigheid van handelshoeveelheden hard- en softdrugs en aanwijzingen voor drugshandel. Eiser, eigenaar en bewoner van de woning, voerde aan dat de sluiting onterecht was en dat de burgemeester het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel had geschonden. Hij betwistte dat de aangetroffen goederen duidden op drugshandel en voerde aan dat hij niet strafrechtelijk was vervolgd.
De rechtbank oordeelde dat de burgemeester bevoegd was op grond van artikel 13b van de Opiumwet en het Damoclesbeleid, en dat de aangetroffen hoeveelheden drugs en andere goederen zoals een stroomstootwapen en contant geld voldoende waren om te spreken van een ernstig geval. De noodzaak van de sluiting werd bevestigd, ook zonder strafrechtelijke vervolging. De belangenafweging van de burgemeester, inclusief de kwetsbaarheid van eiser en de aangeboden hulp bij het vinden van alternatieve woonruimte, werd als zorgvuldig en redelijk beoordeeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard. De rechtbank kende vrijstelling van griffierecht toe wegens betalingsonmacht van eiser. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.