Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
“Moderne middenwoning met onlangs vernieuwede keuken en gelegen in courante, kindvriendelijke woonstaat.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €261.000. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld en of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waardebepaling met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten in dezelfde straat. Belanghebbende stelde dat de voorzieningen gedateerd waren en dat onvoldoende rekening was gehouden met verschillen tussen de woning en referentieobjecten. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
Daarnaast stelde belanghebbende aanspraak op een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de termijn met acht maanden was overschreden en kende een immateriële schadevergoeding van €1.000 toe. De rechtbank veroordeelde de Minister ook tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Het beroep werd ongegrond verklaard, maar belanghebbende kreeg een vergoeding voor de termijnoverschrijding en de gemaakte proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €1.000 wegens termijnoverschrijding.