Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende is aansprakelijk gesteld voor naheffingsaanslagen omzetbelasting van de fiscale eenheid waarvan zij deel uitmaakt. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen deze aansprakelijkstelling, waarbij belanghebbende aanvoert dat de aansprakelijkstelling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat zij betalingsonmacht heeft gemeld.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke vereisten van artikel 43 Invorderingswet Pro 1990 is voldaan en dat de aansprakelijkstelling niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, noch met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De rechtbank overweegt dat het toetsingsverbod van artikel 120 Grondwet Pro toepassing vindt op formele wetgeving, maar dat bijzondere omstandigheden die niet door de wetgever zijn verdisconteerd kunnen leiden tot een afwijkende uitkomst. In dit geval zijn dergelijke bijzondere omstandigheden niet aangetoond.
Belanghebbendes stelling van betalingsonmacht wordt niet onderbouwd en is niet relevant voor de rechtmatigheid van de aansprakelijkstelling. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor de aansprakelijkstelling in stand blijft. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda op 3 november 2022.
Uitkomst: Belanghebbende is terecht aansprakelijk gesteld voor de omzetbelastingschulden van de fiscale eenheid; het beroep wordt ongegrond verklaard.