ECLI:NL:RBZWB:2022:6958
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens schending gelijkheidsbeginsel en meerderheidsregel
Belanghebbende stelde beroep in tegen de WOZ-waarde van zijn woning, vastgesteld op €270.000, en voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat vergelijkbare woningen een lagere waarde hadden gekregen. De heffingsambtenaar had het bezwaar deels gehonoreerd en de waarde verlaagd naar €265.000, maar belanghebbende vond dit onvoldoende.
De rechtbank beoordeelde of de WOZ-waarde juist was vastgesteld en of het gelijkheidsbeginsel was geschonden. De woningen in de straat waren grotendeels gelijk qua bouwjaar en woonoppervlak, met uitzondering van twee woningen. De heffingsambtenaar kon geen bewijs leveren dat de andere woningen wezenlijk verschilden qua kwaliteit of onderhoud.
De rechtbank concludeerde dat tien woningen nagenoeg identiek waren en negen daarvan een lagere WOZ-waarde hadden dan de woning van belanghebbende. Dit vormde een schending van het gelijkheidsbeginsel en de meerderheidsregel. Daarom stelde de rechtbank de waarde in goede justitie vast op het gemiddelde van de vergelijkbare woningen, €238.000.
De aanslag onroerendezaakbelasting werd dienovereenkomstig verlaagd en de uitspraak op bezwaar vernietigd. Tevens werd de heffingsambtenaar verplicht het griffierecht van €49 aan belanghebbende te vergoeden.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt verlaagd naar €238.000 en de aanslag OZB dienovereenkomstig verminderd.