ECLI:NL:RBZWB:2022:723
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op Wob-verzoek met oplegging dwangsom
Eiser heeft op 30 juni 2021 een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Verweerder, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, heeft niet binnen de wettelijke termijn van vier weken beslist, zelfs na een verlenging van vier weken. Eiser heeft verweerder op 17 november 2021 ingebreke gesteld, waarna het beroep is ingesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat verweerder niet tijdig heeft beslist. Gezien de omvang van het verzoek, dat betrekking heeft op alle stukken over de toepassing en bemonstering van gewasbeschermingsmiddelen van 2015 tot 1 juni 2021, wordt verweerder een langere termijn van acht weken gegund om alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van €100 per dag op voor elke dag dat verweerder de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van €15.000. Verweerder wordt tevens opgedragen het door eiser betaalde griffierecht van €181 te vergoeden. Er zijn geen overige proceskosten toegekend.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een dwangsom op en draagt verweerder op binnen acht weken alsnog te beslissen op het Wob-verzoek.