Eiseres, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek op 19 februari 2020 en ontving vanaf 20 mei 2020 een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 20 april 2021 op grond van een medische en arbeidskundige beoordeling die uitwees dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze beëindiging. Medische rapporten van verzekeringsartsen en een sociaal medisch verpleegkundige toonden beperkingen aan, maar stelden dat eiseres belastbaar was voor passend werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep nam aanvullende beperkingen mee, vooral op psychosociaal vlak, maar concludeerde dat de beperkingen objectief vastgesteld waren en passend waren verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
Eiseres voerde aan dat haar nek- en rugklachten, geobjectiveerd door MRI-uitslagen, zwaardere beperkingen rechtvaardigden, maar de rechtbank volgde het medisch oordeel dat deze afwijkingen normale verouderingsverschijnselen zijn zonder duidelijke relatie met objectief vast te stellen beperkingen.
De arbeidsdeskundige stelde dat drie functies met Sbc-codes 111160, 111010 en 111174 passend waren, rekening houdend met de beperkingen en taalvaardigheden van eiseres. De rechtbank vond deze functies geschikt en oordeelde dat eiseres het benodigde taalniveau binnen zes maanden kan bereiken.
Op basis van het verdienvermogen van 67,67% concludeerde het UWV dat eiseres minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waardoor het recht op ZW-uitkering vervalt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beëindiging van de uitkering per 20 april 2021.