ECLI:NL:CRVB:2022:1731
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende onderbouwing UWV bij vaststelling arbeidsongeschiktheid WIA-uitkering
Appellant, een monteur die zich in 2016 ziek meldde met klachten aan het bewegingsapparaat, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Appellant voerde aan dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zwaarder moesten zijn en dat de geselecteerde functies niet passend waren, mede vanwege zijn verblijf in Duitsland en onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant voldoende taalvaardigheid bezit voor drie van de vier geselecteerde functies. Alleen voor de functie wikkelaar (SBC-code 267053) is voldoende taalbeheersing aangetoond. Hierdoor kunnen de andere functies niet worden meegenomen in de berekening van de arbeidsongeschiktheid, wat leidt tot een gebrek aan voldoende functies om de mate van arbeidsongeschiktheid te bepalen.
De medische beoordeling is zorgvuldig en gemotiveerd uitgevoerd en wordt onderschreven. De Raad wijst op het belang van de Nederlandse taalvaardigheid bij de functievereisten en volgt de eerdere jurisprudentie dat de fictie van het Schattingsbesluit hier niet toereikend is. Het UWV krijgt zes weken de tijd om het besluit te herstellen, omdat het geschil nog niet definitief kan worden beslist.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen zes weken het besluit te herstellen wegens onvoldoende onderbouwing van de arbeidskundige beoordeling.