Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
3.Beoordeling door de rechtbank
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart de beroepen met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen IB/PVV 2015 (20/10173) en 2016 (20/10175) en Zvw 2015 (20/10174) en 2016 (20/10176), alsook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen en boetebeschikkingen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de genoemde (navorderings-)aanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 14.522, wijzigt de belastingrentebeschikking en de boetebeschikking in overeenstemming daarmee, met dien verstande dat de boete daarnaast nog met 15% wordt verminderd;
- vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2015 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 14.522 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.907, wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee en vernietigt de bijbehorende boetebeschikking;
- vermindert de aanslag Zvw 2016 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 10.577 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- vermindert de boetebeschikking IB/PVV 2017 tot een bedrag van € 39.204;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van eenmaal € 49 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.313 aan proceskosten aan belanghebbende.