Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding
2.Feiten
4.Conclusie en gevolgen
5.Beslissing
- verklaart de beroepen met betrekking tot de (navorderings-)aanslagen IB/PVV 2014 (20/10167), Zvw 2014 (20/10168), IB/PVV 2015 (20/10169), Zvw 2015 (20/10170), IB/PVV 2016 (20/10171) en Zvw 2016 (20/10172), alsook de bijbehorende belastingrentebeschikkingen en boetebeschikkingen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar die betrekking hebben op de genoemde (navorderings-)aanslagen, de belastingrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen;
- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw 2014 en de bijbehorende belastingrente- en boetebeschikkingen;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2015 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 32.236 en wijzigt de bijbehorende belastingrentebeschikking en boetebeschikking in overeenstemming daarmee, met dien verstande dat de boete vervolgens nog met 15% wordt verminderd;
- vermindert de navorderingsaanslag Zvw 2015 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 14.522 en wijzigt de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig;
- vermindert de aanslag IB/PVV 2016 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.869, wijzigt de bijbehorende belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee en vernietigt de bijbehorende boetebeschikking;
- vermindert de aanslag Zvw 2016 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 3.820 en wijzigt de belastingrentebeschikking in overeenstemming daarmee;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- vermindert de boetebeschikking IB/PVV 2017 tot een bedrag van € 27.638;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van eenmaal € 49 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 2.313 aan proceskosten aan belanghebbende.