ECLI:NL:RBZWB:2022:7887
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beslissing over niet tijdig beslissen op bezwaar en verzoek ambtshalve vermindering inkomstenbelasting 2020
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2020, maar de inspecteur heeft niet tijdig op dit bezwaar beslist. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is vanwege overschrijding van de bezwaartermijn, mede omdat het bezwaarschrift pas op 30 december 2021 bij de Belastingdienst werd ontvangen, terwijl de aanslag op 15 mei 2021 is opgelegd.
Daarnaast is het bezwaarschrift opgevat als een verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag, waarop de inspecteur eveneens niet tijdig heeft beslist. De rechtbank draagt de inspecteur op binnen vier weken een beslissing te nemen over dit verzoek, waarbij de termijn kan worden opgeschort indien het verzoek wordt aangewezen als onderdeel van een massaal bezwaar plus-procedure.
De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar af, maar kent wel een dwangsom toe voor het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. De dwangsom wordt vastgesteld op €1.442,- en er wordt een dagdwangsom van €100,- per dag opgelegd met een maximum van €15.000,-. Tevens moet de inspecteur het betaalde griffierecht en proceskosten vergoeden.
De uitspraak benadrukt dat de ontvankelijkheid van het bezwaar per aanslagjaar moet worden beoordeeld en dat het feit dat het bezwaar over 2019 wel inhoudelijk is behandeld, geen rechtmatig vertrouwen schept voor het bezwaar over 2020. De rechtbank volgt de recente jurisprudentie en beleidsontwikkelingen omtrent massaal bezwaar en rechtsherstel.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, wijst het bezwaar niet-ontvankelijk en legt een dwangsom op voor het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering.