ECLI:NL:PHR:2022:690
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Toepassing van de dwangsomregeling bij verzoeken om ambtshalve vermindering van belastingaanslagen
Aan belanghebbende is een aanslag gemeentelijke heffingen opgelegd voor 2019. Zij heeft geen bezwaar gemaakt, maar op 15 oktober 2019 verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag. Na ingebrekestelling wegens niet tijdig beslissen, werden op 2 februari en 12 maart 2020 verminderingen toegekend. De Heffingsambtenaar stelde echter dat de dwangsomregeling niet van toepassing was omdat het een ambtshalve beslissing betrof.
Belanghebbende vorderde vervolgens bij de Kantonrechter betaling van dwangsommen wegens de vertraging, maar deze oordeelde dat de dwangsomregeling niet van toepassing was op ambtshalve beslissingen, ook niet als daaraan een aanvraag ten grondslag ligt. Tegen dit vonnis stond geen hoger beroep open en de termijn voor cassatie is verstreken, waardoor het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
De Procureur-Generaal stelt dat de dwangsomregeling wel van toepassing moet worden geacht op verzoeken om ambtshalve vermindering, omdat het hier gaat om een beschikking op aanvraag zoals bedoeld in de Awb. Dit sluit aan bij de doelstelling van de regeling om een effectief instrument te bieden tegen te trage besluitvorming. De conclusie is dat het vonnis van de Kantonrechter moet worden vernietigd in het belang der wet, zonder nadelige gevolgen voor partijen.
De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de relevante wetgeving, parlementaire geschiedenis, jurisprudentie en literatuur, waarbij wordt onderstreept dat de civiele rechter bevoegd is bij geschillen over dwangsommen bij ambtshalve verminderingen van gemeentelijke belastingen, en dat de huidige praktijk en wetsvoorstellen deze interpretatie ondersteunen.
Uitkomst: De Procureur-Generaal verzoekt vernietiging van het vonnis van de Kantonrechter in het belang der wet, omdat de dwangsomregeling wel van toepassing is op verzoeken om ambtshalve vermindering van belastingaanslagen.