Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBZWB:2022:7971

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
28 december 2022
Zaaknummer
AWB- 21_840
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbArt. 7:15 AwbArt. 8:72 AwbArt. 9 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit dwangsom Participatiewet wegens te late beslissing

Eiseres diende op 31 maart 2020 een aanvraag in voor vrijstelling van arbeidsverplichtingen op grond van de Participatiewet. Het college besloot op 10 februari 2020 al tot ontheffing, maar stelde dat het besluit van 8 juli 2020 te laat was genomen, waardoor een dwangsom van €812,- werd verbeurd.

Eiseres betoogde dat het college het maximale bedrag van €1.442,- aan dwangsommen had verbeurd omdat nog steeds geen besluit was genomen op haar aanvraag. De rechtbank oordeelde dat het besluit van 8 juli 2020 geen nieuw besluit was, omdat het geen nieuwe rechtsgevolgen bracht ten opzichte van het besluit van 10 februari 2020.

De rechtbank stelde vast dat het college onterecht niet het maximale bedrag aan dwangsommen had verbeurd, omdat meer dan 42 dagen waren verstreken sinds de ingebrekestelling van 27 mei 2020. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de primaire besluiten herroepen en de dwangsom vastgesteld op €1.442,-. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en stelt de door het college te betalen dwangsom vast op €1.442,- wegens te late beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 21/840 PW

uitspraak van 23 december 2022 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiseres] (eiseres), te [plaatsnaam] ,

gemachtigde: mr. N. Talhaoui,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland(het college), verweerder.

Procesverloop

In een besluit van 19 juni 2020 (primair besluit I) heeft het college een ingebrekestelling van eiseres wegens het niet tijdig beslissen op een aanvraag afgewezen.
In een besluit van 17 september 2020 (primair besluit II) heeft het college primair besluit I herzien, in die zin dat aan eiseres (alsnog) een dwangsom is verbeurd van € 812,-.
In een besluit van 8 januari 2022 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van eiseres tegen primair besluit II gegrond verklaard, in die zin dat het verzoek van eiseres om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase ingevolge artikel 7:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is toegewezen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Middelburg op 4 november 2022. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Het college werd vertegenwoor-digd door [naam vertegenwoordiger 1] en [naam vertegenwoordiger 2] .

OverwegingenRelevante feiten en omstandigheden

1. In een besluit van 10 februari 2020 heeft het college aan eiseres ontheffing verleend van haar arbeidsverplichting en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden op grond van artikel 9a van de Participatiewet, voor de periode van 27 november 2019 tot 27 november 2024.
Eiseres heeft middels een brief van 31 maart 2020 een aanvraag ingediend voor vrijstelling van de verplichtingen in artikel 9 van Pro de Participatiewet. Zij heeft het college op 27 mei 2020 in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit op deze aanvraag.
In primair besluit I heeft het college de ingebrekestelling van eiseres afgewezen, omdat hij in een besluit van 10 februari 2020 al een ontheffing aan haar heeft verleend op grond van artikel 9a van de Participatiewet.
In een schriftelijke beslissing van 8 juli 2020 heeft het college aan eiseres een ontheffing verleend van haar arbeidsverplichting en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden op grond van artikel 9 van Pro de Participatiewet voor de periode van 27 november 2019 tot 27 november 2024.
In primair besluit II heeft het college primair besluit I herzien, in die zin dat aan eiseres (alsnog) een dwangsom is verbeurd van € 812,-. Het college stelt zich op het standpunt dat hij met zijn beslissing van 8 juli 2020 niet tijdig heeft beslist op de aanvraag van 31 maart 2020, en dat de ingebrekestelling van 27 mei 2020 ten onrechte is afgewezen.
In het bestreden besluit heeft het college de bezwaren van eiseres tegen primair besluit II gegrond verklaard, in die zin dat het verzoek van eiseres om vergoeding van proceskosten in de bezwaarfase ingevolge artikel 7:15 van Pro de Awb is toegewezen.
Standpunt van het college
2. Volgens het college heeft hij met zijn beslissing van 8 juli 2020 28 dagen te laat beslist op de aanvraag van eiseres van 31 maart 2020. Het college heeft daarom op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb een dwangsom verbeurd van € 812,-.
Standpunt eiseres
3.
Volgens eiseres heeft het college het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen verbeurd, omdat nog steeds geen besluit is genomen op haar aanvraag van 31 maart 2020. Eiseres stelt dat de beslissing van 8 juli 2020 een herhaling is van het besluit van 10 februari 2020, en dat deze ten onrechte alleen naar haar is verstuurd en niet (ook) naar haar gemachtigde.
Heeft het college een besluit genomen op de aanvraag van 31 maart 2020?
4. Een herhaald besluit is volgens vaste rechtspraak alleen dan een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Awb als het rechtsgevolgen in het leven roept die niet reeds door een eerder besluit teweeg zijn gebracht. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 28 april 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1046.
5. De rechtbank stelt vast dat in het besluit van 10 februari 2020 aan eiseres ontheffing is verleend van de onder a tot en met d en h genoemde verplichtingen, die een uitwerking van de arbeidsverplichting en de verplichting tot het verrichten van onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden in de zin van artikel 9 van Pro de Participatiewet inhouden. De ontheffing is verleend voor de periode van 27 november 2019 tot 27 november 2024 in verband met de zorg die eiseres heeft voor een kind dat jonger is dan 5 jaar. In de beslissing van 8 juli 2020 is aan eiseres opnieuw ontheffing verleend voor dezelfde verplichtingen en voor dezelfde periode. Ook is de ontheffing wederom verleend in verband met de zorg van eiseres voor haar kind dat jonger is dan 5 jaar. Omdat de beslissing van 8 juli 2020 geen rechtsgevolgen in het leven roept die niet reeds door het besluit van 10 februari 2020 teweeg zijn gebracht, kan deze beslissing niet worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De ter zitting door het college gestelde omstandigheid dat de beslissing van 8 juli 2020 zou berusten op een andere wettelijke grondslag dan het besluit van 10 februari 2020 (artikel 9 in Pro plaats van artikel 9a van de Participatiewet) doet – daargelaten of dit inderdaad het geval is – aan het voorgaande niet af, waarbij de rechtbank wijst op een uitspraak van de CRvB van 8 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5032.
Dat betekent dat het college nog altijd geen besluit heeft genomen op de aanvraag van eiseres van 31 maart 2020.
De hoogte van de dwangsom
6. In artikel 4:17, eerste en tweede lid, van de Awb is bepaald dat, als een bestuurs-orgaan een besluit niet op tijd neemt, het een dwangsom moet betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen, waarbij het maximum is bepaald op € 1.442,-. Uit de stukken blijkt dat de ingebrekestelling op 27 mei 2020 is ontvangen en dat na twee weken na ontvangst ervan meer dan 42 dagen zijn verstreken, nu het college nog geen besluit heeft genomen op de aanvraag van 31 maart 2020. De rechtbank is daarom van oordeel dat het college ten onrechte niet het maximale bedrag van € 1.442,- aan dwangsommen heeft verbeurd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal verder zelf in de zaak voorzien als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, door de primaire besluiten te herroepen en de door het college te betalen bestuurlijke dwangsom vast te stellen op € 1.442,-.
Griffierecht en proceskosten
7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
8. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in de beroepsfase vast op € 1.518,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 759,- en een wegingsfactor 1). Het college is in het bestreden besluit reeds overgegaan tot het toekennen van een proceskosten-vergoeding voor de verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase, zodat de rechtbank het college niet zal veroordelen tot het betalen van de desbetreffende kosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept de primaire besluiten en stelt de door het college te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 49,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.518,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E.C. Vriends, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 23 december 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.