ECLI:NL:RBZWB:2022:7991
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn in WAO-uitkeringszaak
Verzoeker had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering op basis van 35-45% arbeidsongeschiktheid voort te zetten. Na beroep en deskundigenonderzoek heeft het UWV het bestreden besluit ingetrokken en vastgesteld dat verzoeker 100% arbeidsongeschikt is sinds 1 juli 2019. Verzoeker trok daarop het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat het UWV aan het beroep tegemoet is gekomen en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten voor rechtsbijstand en deskundigenkosten, vastgesteld op €2.062,76. Daarnaast werd het UWV verplicht het griffierecht te vergoeden.
De rechtbank beoordeelde de overschrijding van de redelijke termijn, vastgesteld op circa tien maanden, en kende verzoeker een immateriële schadevergoeding toe van €1.000,-. Hiervan werd €900,- toegerekend aan de Staat en €100,- aan het UWV, conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. De uitspraak werd gedaan door rechter R.P. Broeders op 28 december 2022.
Uitkomst: Het UWV en de Staat worden veroordeeld tot betaling van proceskosten en immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.