ECLI:NL:RBZWB:2022:8087

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
22 december 2022
Publicatiedatum
2 januari 2023
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a Wet op de dividendbelasting 1965
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek teruggaaf dividendbelasting buitenlandse beleggingsinstelling

Belanghebbende, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd en aan de London Stock Exchange genoteerd beleggingsfonds, verzocht om teruggaaf van ingehouden dividendbelasting over de boekjaren 2013/2014, 2014/2015 en 2015/2016. De inspecteur wees deze verzoeken af en verklaarde de bezwaren ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank overwoog dat de Hoge Raad in een arrest van 9 april 2021 heeft bepaald dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd doordat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen niet in aanmerking komen voor de regeling van de afdrachtvermindering. Belanghebbende maakte bovendien niet aannemelijk dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling, met name vanwege het niet voldoen aan de dooruitdelingseis.

De Hoge Raad heeft in een arrest van 23 oktober 2020 verduidelijkt dat aan de dooruitdelingseis wordt voldaan als de winst volgens de wetgeving van de vestigingsstaat als uitgekeerd wordt beschouwd en bij de participanten wordt belast alsof deze is uitgekeerd. Belanghebbende kon dit niet aantonen. Daarom bestaat geen recht op teruggaaf van dividendbelasting, noch op rentevergoeding. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De beroepen tegen de afwijzing van teruggaaf van dividendbelasting worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Den Haag
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 19/1337, BRE 19/1338, BRE 19/1339

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 december 2022 in de zaken tussen

[belanghebbende] , gevestigd te [vestigingsplaats] (Verenigd Koninkrijk), belanghebbende

(gemachtigde: S. Pond),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Procesverloop

De inspecteur heeft het verzoek van belanghebbende om teruggaaf van dividendbelasting over de boekjaren 2013/2014, 2014/2015 en 2015/2016 afgewezen (de afwijzing).
De inspecteur heeft de bezwaren tegen de afwijzing ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft aan de beroepen de volgende zaaknummers toegekend:
- boekjaar 2013/2014: BRE 19/1337;
- boekjaar 2014/2015: BRE 19/1338;
- boekjaar 2015/2016: BRE 19/1339.
De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld om te reageren op jurisprudentie van de Hoge Raad. Daarop is door belanghebbende een nadere motivering van het beroep ingediend.
De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten
1. Belanghebbende is een in het Verenigd Koninkrijk gevestigd en aan de London Stock Exchange genoteerd beleggingsfonds. Haar boekjaar loopt van 1 februari tot en met 31 januari. In de genoemde boekjaren hield belanghebbende belangen van minder dan 5% in diverse in Nederland gevestigde vennootschappen (de Nederlandse beleggingen).
2. Aan belanghebbende zijn door de Nederlandse beleggingen dividenden uitgekeerd waarover dividendbelasting is ingehouden. Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting. Deze teruggaafverzoeken zijn afgewezen.

Geschil3.In geschil is of de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Belanghebbende stelt, kort samengevat, met een beroep op het Unierecht, dat zij recht heeft op teruggaaf van dividendbelasting omdat zij vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling (fbi).

Beoordeling van het geschil4. Voor teruggaafverzoeken met betrekking tot de boekjaren vanaf het boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2008 is het regime van de afdrachtvermindering [1] van belang.
5. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om teruggaaf van dividendbelasting terecht afgewezen. Voor de toepassing van het regime van de afdrachtvermindering heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 9 april 2021 [2] beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet belemmerd wordt door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. In wat belanghebbende heeft aangevoerd tegen de beslissing van de Hoge Raad, ziet de rechtbank geen aanleiding om wel teruggaaf te verlenen of om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie.
6. De rechtbank overweegt ten overvloede dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fbi, met name als het gaat om de dooruitdelingseis. Belanghebbende heeft dan ook reeds om die reden geen recht op de door haar gevraagde teruggaaf van dividendbelasting. Met betrekking tot de dooruitdelingseis heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 oktober 2020 [3] geoordeeld dat ook aan de dooruitdelingseis wordt voldaan als in de lidstaat van vestiging op grond van de daar geldende wettelijke bepalingen de gehele voor uitdeling beschikbare winst, berekend naar Nederlandse maatstaven, wordt geacht te zijn uitgekeerd en bij de aandeelhouders of participanten wordt betrokken in de belastingheffing als ware die winst uitgekeerd. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de dooruitdelingseis zoals door de Hoge Raad geformuleerd.
7. Aangezien geen recht bestaat op teruggaaf van dividendbelasting, heeft belanghebbende evenmin recht op vergoeding van rente over de ingehouden dividendbelasting.
8. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. E.E. Schotte en mr. M.E. Kiers, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2022.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘s-Hertogenbosch.
Bij het instellen van hoger beroep moet het volgende in acht worden genomen:
1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep wordt ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.

Voetnoten

1.Artikel 11a van de Wet op de dividendbelasting 1965.