Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
‘dat dit gezeik er aan zat te komen’. Verdachte antwoordt hierop en zegt
’dat hij wist dat ze zouden komen halen en het alleen de vraag was wanneer’. ‘
Hij zag steeds een auto voorbij rijden met 2 mensen erin. Later een auto met 4 mensen erin. Hij dacht dat klopt niet. Ineens ging er een lichtje bij hem op en hij dacht dat is de politie. Hij belde daarop zijn zus op en zei blijf weg jou moeten ze niet meenemen.’
‘dat dit gezeik eraan zat te komen'waarop verdachte antwoordt:
‘dat hij wist dat ze zouden komen halen, maar het was de vraag wanneer.’ ‘Hij zag steeds een auto voorbij rijden met 2 mensen erin. Later een auto met 4 mensen erin. Hij dacht dat klopt niet. Ineens ging er een lichtje bij hem op en hij dacht dat is de politie. Hij belde daarop zijn zus op en zei blijf weg jou moeten ze niet meenemen.’De rechtbank leidt uit dit telefoongesprek af dat verdachte rekening heeft gehouden met een inval van de politie en een arrestatie.
een recht op leveringvoor [naam 1] doen ontstaan. Omdat een daadwerkelijke overdracht echter nooit heeft plaatsgevonden, zijn de delictsbestanddelen van het witwassen niet vervuld.
“afkomstig uit enig misdrijf”, is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.
(stap I). Van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft waaruit blijkt dat de ten laste gelegde voorwerpen
nietvan misdrijf afkomstig zijn
(stap II). Die verklaring moet concreet, verifieerbaar, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn
(stap III). Als de verdachte een zodanige verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Als een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen
(stap IV). Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moet ten slotte worden beoordeeld of ondanks de verklaringen van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig (eigen) misdrijf afkomstig is
(stap V).
€ 275.419meer contant is uitgegeven dan verdachte voorhanden zou kunnen hebben.
€ 198.359meer aan contanten uitgegeven, dan hij op legale wijze beschikbaar heeft gehad. Uit hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan zijn dan dat dit vermogen uit enig (eigen) misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft een deel van dit crimineel vermogen in een woning bewaard en met het andere deel twee auto’s verworven, voorhanden gehouden en hiervan gebruik gemaakt. Verdachte heeft zich dan ook schuldig gemaakt aan het ten laste gelegde witwassen.
- een contant geldbedrag en/of
- een voertuig, te weten een Mercedes-Benz S600 Maybach met kenteken [kenteken 1] en/of
- een voertuig, te weten een Mercedes-Benz GLC met kenteken [kenteken 2]
5.De strafbaarheid
(vgl. Hoge Raad 7 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2913 en Hoge Raad 2 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:321).
(vgl. ECLI:NL:HR:2016:2527). Het contante geld is in een handtas en in kleding (een rok, een hemdje en spijkerbroek) aangetroffen in de woning van [naam 11] aan de [adres 2] . Volgens de rechtbank is met deze handelingen niet bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het contant geld. De conclusie in onderhavig geval moet dan ook zijn dat de kwalifcatie-uitsluitingsgrond op het onder feit 3 bewezenverklaarde, voor zover het betreft het onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstige geld, van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat verdachte niet voor dit feit, ten aanzien van het contant geld kan worden veroordeeld, maar zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
6.De strafoplegging
(hierna: EVRM)is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
7.Het beslag
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het onder feit 2 ten laste gelegde;
verklaart bewezenhet onder feit 1 primair en feit 3 ten laste gelegde, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
verklaarthet onder feit 3 bewezenverklaarde
niet strafbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde geldbedragen ontslaat verdachte voor dat onderdeel van alle rechtsvervolging;
een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren;
betaling van een geldboete van € 50.000,- (vijftigduizend euro);
vervangende hechteniszal worden toegepast van
285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen;