Belanghebbende, een buitenlandse student uit India, betaalde in april 2015 een bedrag van €23.760 aan de Technische Universiteit Delft, bestaande uit collegegeld en kosten van levensonderhoud. Deze betaling was een voorwaarde voor zijn inschrijving en het verkrijgen van een verblijfsvergunning (visum). In zijn belastingaangifte bracht hij €13.310 aan scholingskosten in aftrek, welke door de inspecteur werden afgewezen omdat de betaling voorafging aan zijn binnenlandse belastingplicht.
De rechtbank stelt vast dat de betaling niet als een depotstorting kan worden aangemerkt, aangezien het collegegeld verschuldigd was ten tijde van de betaling en deze betaling een schuld delgt die voortvloeit uit de inschrijving aan de universiteit. De inschrijving was noodzakelijk voor het verkrijgen van het visum, waardoor de betaling niet vrijblijvend was. Het non-discriminatieartikel uit het belastingverdrag met India biedt geen grond voor aftrek.
Daarnaast heeft belanghebbende een immateriële-schadevergoeding gevraagd wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank constateert een overschrijding van zes maanden en kent een vergoeding van €500 toe, verdeeld over bezwaar- en beroepsfase.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, maar veroordeelt de inspecteur en de Minister tot betaling van de immateriële-schadevergoeding, proceskosten en griffierecht aan belanghebbende. Het hoger beroep staat open bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.