ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ3302
Gerechtshof Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- P.M.F. van Loon
- O.B. Onnes
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Betaling aan eigen BV voor onderhoud onroerende zaken niet aftrekbare kosten maar depotstorting
Een directeur-grootaandeelhouder (dga) sloot met zijn BV overeenkomsten waarbij de BV zich verplichtte gedurende vijf jaar onderhouds- en andere lasten van verhuurde onroerende zaken van de dga over te nemen tegen een eenmalige betaling van ƒ 250.000. De BV was volledig in handen van de dga, die tevens de enige werknemer was.
De betaling vond niet per bank plaats maar werd verrekend via de rekening-courant tussen de dga en de BV. Het Hof stelde vast dat deze verrekening rechtsgeldig was en dat de betaling in 1999 had plaatsgevonden. De vraag was of deze betaling aftrekbare kosten voor onderhoud waren volgens artikel 35 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964.
Het Hof oordeelde dat geen sprake was van aftrekbare kosten omdat de BV feitelijk geen zelfstandige beslissing kon nemen over de uitgaven voor onderhoud, aangezien de dga alle beslissingen nam. Bovendien was niet vastgelegd welke werkzaamheden en bedragen daadwerkelijk zouden worden besteed en was het bedrag niet definitief uit het vermogen van de dga verdwenen, aangezien het op elk moment teruggevorderd kon worden, wat bleek uit de latere afkoop van verplichtingen.
Daarom kwalificeerde het Hof de betaling als een depotstorting waarover de dga vrij kon beschikken, waardoor deze niet aftrekbaar was. Het beroep van de dga tegen de aanslag inkomstenbelasting 1999 werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de directeur-grootaandeelhouder tegen de aanslag inkomstenbelasting 1999 wordt ongegrond verklaard omdat de betaling aan de BV een niet-aftrekbare depotstorting is.