ECLI:NL:RBZWB:2023:167
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugbetaling inburgeringslening wegens ontbreken belangenafweging
Eiseres was inburgeringsplichtig sinds november 2015 en kreeg een lening van maximaal €10.000,- voor haar inburgering. Zij slaagde pas in augustus 2021 voor alle examenonderdelen, ruim na de oorspronkelijke termijn van september 2019. De minister legde haar daarom een boete op en bepaalde dat zij de lening moest terugbetalen.
Eiseres maakte bezwaar tegen de terugvordering en de hoogte van het maandbedrag, en voerde aan dat persoonlijke omstandigheden zoals ziekte van haar moeder en zwangerschap haar vertraagden. De minister verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk en ongegrond. De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen het niet-kwijtschelden terecht niet-ontvankelijk is omdat dit besluit al in 2019 definitief was, maar dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan het evenredigheidsbeginsel en eiseres niet heeft gehoord.
De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand, omdat de minister terecht stelt dat eiseres de lening moet terugbetalen gezien de aanzienlijke overschrijding van de inburgeringstermijn en het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens ontbreken van belangenafweging en hoorplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.