Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning per 1 januari 2019, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €165.000 en na bezwaar verlaagd naar €150.000. De rechtbank beoordeelt of de waarde juist is vastgesteld en of er recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De heffingsambtenaar heeft de waarde onderbouwd met een vergelijkingsmethode, waarbij vijf vergelijkingsobjecten uit dezelfde plaats en met vergelijkbare kenmerken zijn gebruikt. Belanghebbende stelde dat de waarde moest worden gebaseerd op de eigen aankoopprijs van de woning, geïndexeerd naar de waardepeildatum. De rechtbank oordeelt dat de vergelijkingsmethode in dit geval leidend is, omdat de aankoopprijs te ver van de waardepeildatum ligt. De vergelijkingsobjecten zijn voldoende vergelijkbaar en correct verwerkt in de waardering.
Belanghebbende heeft voorts een vergoeding voor immateriële schade gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank constateert een overschrijding van twaalf maanden en kent een vergoeding toe van €1.000, waarvan €83 voor de heffingsambtenaar en €917 voor de Minister van Justitie en Veiligheid. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Minister.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de WOZ-waarde van €150.000. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 24 maart 2023.