Belanghebbende is eigenaar van een tussenwoning uit 2010 en betwist de WOZ-waarde van €256.000 die de heffingsambtenaar heeft vastgesteld per 1 januari 2019. De heffingsambtenaar baseerde zijn waarde op een taxatierapport met vergelijkingsobjecten, waarvan één object als goed vergelijkbaar werd aangemerkt door de rechtbank. De rechtbank oordeelt dat de door belanghebbende aangevoerde referentieobjecten niet geschikt zijn vanwege afwijkende grondstaffels, sociale huurstatus en koopgarantregelingen.
Belanghebbende stelde dat onvoldoende rekening is gehouden met schimmel in de woning, maar bracht geen bewijs aan. De rechtbank acht het passend om een factor 2 voor kwaliteit toe te kennen, wat de waarde op circa €256.834 brengt, gelijk aan de vastgestelde waarde. Daarnaast vordert belanghebbende vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar- en beroepsfase. De rechtbank stelt vast dat de termijn met dertien maanden is overschreden en kent een vergoeding van €1.500 toe, waarvan €115 voor de heffingsambtenaar en €1.385 voor de Minister van Justitie en Veiligheid.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, handhaaft de WOZ-waarde en veroordeelt de heffingsambtenaar en Minister tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.M. Dondorp-Loopstra op 24 maart 2023 en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.