ECLI:NL:RBZWB:2023:2083
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Peters
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststelling WIA-dagloon volgens startersregeling Dagloonbesluit
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het UWV-besluit waarbij zijn WIA-uitkering werd vastgesteld op een dagloon van €1.268,03, berekend over 145 dagloondagen in de referteperiode van 22 april 2018 tot 21 april 2019. Eiser betoogde dat het dagloon berekend moest worden op basis van het daadwerkelijk aantal gewerkte dagen, omdat hij in de referteperiode slechts gedeeltelijk werkte en het uitgangspunt van de WIA is dat de uitkering gerelateerd moet zijn aan het loon voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid.
De rechtbank oordeelde dat het UWV terecht de startersregeling van artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit heeft toegepast, waarbij het dagloon wordt berekend door het loon te delen door het aantal dagloondagen vanaf de aanvang van de dienstbetrekking tot het einde van de referteperiode. De rechtbank zag geen reden om van deze regeling af te wijken en verwierp de stellingen van eiser over rechtsongelijkheid en strijd met het doel van de WIA.
De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep die terughoudendheid voorschrijft bij toetsing van de politieke afwegingen in het Dagloonbesluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: Het beroep tegen het UWV-besluit tot vaststelling van het WIA-dagloon wordt ongegrond verklaard.