ECLI:NL:CRVB:2020:947
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte berekening WIA-dagloon volgens Dagloonbesluit startersregeling
Appellant was werkzaam bij twee werkgevers binnen de referteperiode en viel wegens ziekte uit. Het UWV stelde het WIA-dagloon vast op basis van 156 loondagen, gerekend vanaf de eerste dienstbetrekking in het refertejaar, conform artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon en stelde dat de periode met weinig loon en bijstand buiten beschouwing moest blijven, en dat alleen het loon van het laatste dienstverband moest worden meegenomen.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon correct had berekend. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat artikel 18 van Pro het Dagloonbesluit bepaalt dat de berekening start bij de eerste dag van de eerste dienstbetrekking in het refertejaar, en dat de door appellant voorgestelde afwijking geen wettelijke grondslag heeft.
Verder verwierp de Raad het argument dat de berekening in strijd zou zijn met de bedoeling van de Wet WIA om een uitkering van ten minste 70% van het laatstverdiende loon te garanderen. Ook het subsidiaire beroep om uit te gaan van het Ziektewet-dagloon werd verworpen vanwege onjuiste vaststelling daarvan. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot vaststelling van het WIA-dagloon wordt bevestigd.