Eiser ontving sinds 2012 een bijstandsuitkering en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl hij feitelijk samenwoonde met zijn vriendin op een ander adres. De gemeente ontdekte via onderzoek dat eiser sinds april 2015 niet op het uitkeringsadres woonde, onder meer door afsluiting van water en observaties. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank oordeelt dat de gemeente terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken over de periode 28 april 2015 tot 1 oktober 2020, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het uitkeringsadres verbleef. De terugvordering van € 75.787,66 is daarom gegrond en blijft gehandhaafd. Wel is het beroep tegen de intrekking per oktober 2020 gegrond verklaard, omdat eiser toen wel zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
De rechtbank vernietigt het besluit tot intrekking per oktober 2020 en bepaalt dat eiser ook over die maand bijstand ontvangt. Tevens veroordeelt zij het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank wijst erop dat dringende redenen om van terugvordering af te zien niet zijn gebleken en dat de brutering van de terugvordering terecht is toegepast.