Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende was in 2014 werkzaam als Master bij een Zwitserse onderneming, met werkzaamheden aan boord van schepen die diensten leverden in de olie- en gasindustrie. Hij vroeg aftrek ter voorkoming van dubbele belasting op zijn loon uit die dienstbetrekking op grond van artikel 15, lid 3, van het Belastingverdrag Nederland-Zwitserland.
De inspecteur wees dit af, en de rechtbank oordeelt dat artikel 15, lid 3, niet van toepassing is omdat de schepen niet werden gebruikt voor commercieel vervoer van personen en goederen in internationaal verkeer, maar voor het leggen van pijpleidingen, waardoor Nederland het exclusieve heffingsrecht heeft.
Belanghebbende voerde ook een beroep op het vertrouwensbeginsel aan, verwijzend naar een aftrek die hij in 2017 kreeg op grond van een ander belastingverdrag met België. De rechtbank oordeelt dat dit beroep faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag en verschillen in jaar, verdrag en werkgever.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en veroordeelt belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag blijft onverminderd van kracht.