ECLI:NL:RBZWB:2023:2515
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende betwistte de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €238.000 per 1 januari 2019. De rechtbank beoordeelde de aangevoerde argumenten en de onderliggende waarderingsmethode, waarbij de vergelijkingsmethode werd toegepast met referentiewoningen uit dezelfde periode en bouwjaar. De heffingsambtenaar had een matrix met vergelijkingsobjecten overgelegd en de waardering adequaat onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, ook rekening houdend met de door belanghebbende aangevoerde verschillen in indexatiepercentages. Verder werden de gegevens over inhoud en perceeloppervlakte als betrouwbaar beschouwd. Alle overige bezwaren van belanghebbende leidden niet tot een ander oordeel.
Belanghebbende vorderde daarnaast een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met ongeveer 13 maanden was overschreden en kende een vergoeding toe van €150, verdeeld over de bezwaarfase en beroepsfase, waarbij de Minister mede als partij werd aangemerkt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en aanslag, en veroordeelde de heffingsambtenaar en Minister tot betaling van immateriële schadevergoeding en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de WOZ-waarde en aanslag worden gehandhaafd, met toekenning van een vergoeding voor termijnoverschrijding.