ECLI:NL:RBZWB:2023:2880
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een appartement uit 2003 met een ondergrondse garage en berging, waarvan de WOZ-waarde voor 2020 is vastgesteld op €264.000. Belanghebbende betwist deze waarde en stelt dat de waarde €233.000 moet zijn. De heffingsambtenaar handhaaft de vastgestelde waarde op basis van een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten uit hetzelfde appartementencomplex.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De gebruikte vergelijkingsmethode en de gegevensmatrix zijn voldoende inzichtelijk en betrouwbaar. De door belanghebbende aangevoerde argumenten, zoals het ontbreken van rekening houden met de VvE-reservering en verouderde voorzieningen, zijn onvoldoende onderbouwd.
Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor behandeling van bezwaar en beroep met 14 maanden is overschreden. De rechtbank kent op basis hiervan een immateriële schadevergoeding toe van €150,--, waarvan €21,43 voor rekening van de heffingsambtenaar komt en €128,57 voor rekening van de Staat der Nederlanden. Daarnaast worden proceskosten en griffierechten verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de minister.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag OZB gehandhaafd blijven. De rechtbank wijst tevens op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de aanslag OZB gehandhaafd, met een beperkte vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.