Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de WOZ-waarde van zijn woning vastgesteld op €147.000 per 1 januari 2018, welke waarde tevens ten grondslag lag aan de aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) van de gemeente Hulst voor 2019. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde in bezwaar en onderbouwde deze met een taxatierapport van mei 2020 waarin referentiewoningen werden gebruikt die vergelijkbaar zijn met de woning van belanghebbende.
De rechtbank beoordeelde de vergelijkbaarheid van de referentiewoningen en de toegepaste correcties, waaronder een correctie voor asbest op de schuur en de kwaliteit van de woning. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en dat belanghebbende zijn stellingen onvoldoende met objectieve gegevens had onderbouwd.
Daarnaast werd een vergoeding van immateriële schade toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van behandeling van bezwaar en beroep. De totale overschrijding bedroeg 25 maanden, waarvoor een vergoeding van €250 werd vastgesteld, te verdelen tussen de heffingsambtenaar en de Staat. Ook werden proceskosten en griffierecht deels toegewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-waarde en de aanslag OZB, en legde vergoedingen en kostenverdelingen vast conform de wettelijke kaders.