ECLI:NL:RBZWB:2023:3669

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 mei 2023
Publicatiedatum
27 mei 2023
Zaaknummer
23/2275
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:10 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:5 Awb
Verwijzingen
13 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake aanslag inkomstenbelasting 2017

Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen in verband met een geschil over de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2017. Hij verzocht onder meer om een hoorzitting, inzage in stukken, terugbetaling van een bedrag, vergoeding van immateriële schade en een oordeel over de rechtmatigheid van een taxatie-opdracht.

De voorzieningenrechter overweegt dat aan de voorwaarde van connexiteit deels is voldaan, maar dat er geen sprake is van onverwijlde spoed voor de verzoeken om hoorzitting en inzage in stukken. Deze verzoeken worden daarom afgewezen als kennelijk ongegrond. Ten aanzien van de overige verzoeken verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd, aangezien deze niet binnen zijn rechtsmacht vallen.

De rechtbank wijst het verzoek om een meervoudige kamer af en benadrukt dat de uitspraak voorlopig is en niet bindend voor de bodemprocedure. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen en rechter verklaart zich onbevoegd voor overige verzoeken.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 23/2275
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 mei 2023 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [plaats], verzoeker,

en

de inspecteur van de belastingdienst (de inspecteur).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst de verzoeken, om te bepalen dat alsnog een hoorzitting moet plaatsvinden en dat verzoeker alsnog gebruik mag maken van zijn recht op inzage in de stukken, betreffende het bezwaar tegen afwijzing om de aan verzoeker voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ambtshalve te verminderen en om de inspecteur te veroordelen tot het betalen van vergoeding van immateriële schade, af;
  • verklaart zich onbevoegd ten aanzien van de overige verzoeken.

Verzoeken

1. Verzoeker verzoekt de voorzieningenrechter om:
  • te bepalen dat alsnog een hoorzitting moet plaatsvinden en dat verzoeker alsnog gebruik mag maken van zijn recht op inzage in de stukken, betreffende het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aan verzoeker voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, aanslagnummer [aanslagnummer]H.76.01 (verzoek 1);
  • de inspecteur te veroordelen tot het betalen van vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 100.000 (verzoek 2);
  • te oordelen dat in augustus 2012 geen taxatie-opdracht had mogen worden gegeven en dat de taxateur deze opdracht niet had mogen aanvaarden (verzoek 3);
  • voor recht te verklaren dat de inspecteur geen recht kan ontlenen aan de uitspraak van het Gerechtshof te Den Haag van 10 juni 2016
- te oordelen dat de ontvanger een bedrag van € 46.363, met rente, aan verzoeker dient terug te betalen (verzoek 5).
1.1.
Uit de door verzoeker ingediende stukken volgt dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank van 13 april 2023 [2] en het afwijzen van zijn verzoek om toepassing van de hardheidsclausule. In dit verband heeft verzoeker echter geen verzoeken aan de voorzieningenrechter gedaan, zodat de rechtbank hierop in deze uitspraak niet verder in zal gaan.

Karakter voorlopige voorziening

2. De voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak (de bodemprocedure), kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gelden daarbij als voorwaarden dat tegelijkertijd tegen hetzelfde besluit een bezwaar- of beroepsprocedure loopt (vereiste van connexiteit) en onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de bodemprocedure niet.
2.1.
Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder partijen uit te nodigen voor een zitting, indien hij kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Beoordeling

Vooraf
3. Verzoeker wil dat de verzoeken worden behandeld door een meervoudige kamer.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om aan deze wens tegemoet te komen omdat de zaak niet ongeschikt is voor behandeling door één rechter. [3]
3.1.
Aan de eis van connexiteit is (deels) voldaan omdat verzoeker beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar betreffende de afwijzing van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aan verzoeker voor het jaar 2017 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, waar in ieder geval een deel van de onderhavige verzoeken tot een voorlopige voorziening mee samenhangen.
Ten aanzien van de verzoeken 1 en 2
3.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de verzoeken 1 en 2 geen sprake van onverwijlde spoed, die zou maken dat niet kan worden gewacht op behandeling van de bodemprocedure. Nu de inspecteur de in 3.1 bedoelde uitspraak op bezwaar reeds heeft gedaan, kan verzoeker niet meer vóór het doen van uitspraak op bezwaar gebruik maken van het inzage- en hoorrecht. De rechtbank kan in de bodemprocedure eventueel beslissen dat de zaak moet worden teruggewezen naar de inspecteur, in welk geval verzoeker alsnog gebruik kan maken van het inzage- en hoorrecht. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd is onvoldoende om te oordelen dat verzoeker in de gelegenheid moet worden gesteld om op een eerder moment gebruik te maken van het inzage- en hoorrecht. Tevens kan de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing geven op het verzoek om vergoeding van immateriële schade. Er zijn geen redenen aangedragen waarom sprake is van onverwijlde spoed bij dat verzoek.
Gelet hierop bestaat ten aanzien van de verzoeken 1 en 2 kennelijk geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening zoals verzocht. De voorzieningenrechter heeft de verzoeken 1 en 2 dan ook afgewezen als zijnde kennelijk ongegrond.
Ten aanzien van de overige verzoeken
3.3.
De rechtbank overweegt dat tegen de uitspraak van het gerechtshof geen beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank, maar bij de Hoge Raad. [4]
3.4.
Op grond van artikel 26 van Pro de Awr kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld indien het betreft:
een belastingaanslag, waaronder begrepen de in artikel 15 van Pro de Awr voorgeschreven verrekening, of
een voor bezwaar vatbare beschikking.
Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij die wet hoort. De Invorderingswet 1990 is opgenomen in de hiervoor bedoelde bijlage. Slechts ter zake van enkele, specifiek vermelde bepalingen in de Invorderingswet is de belastingrechter bevoegd. De terugbetaling van betaalde belasting valt daar niet onder.
Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter dan ook kennelijk onbevoegd om te beslissen op de verzoeken 3 tot en met 5. De voorzieningenrechter heeft dan ook aldus beslist.
Slot
3.5.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I. van Wijk, griffier, op 26 mei 2023. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

3.Artikel 8:10, tweede lid, van de Awb.
4.Artikel 28, eerste lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr).