ECLI:NL:RBZWB:2023:3778

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
30 mei 2023
Publicatiedatum
1 juni 2023
Zaaknummer
AWB- 22_567
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Beleidsregels minimaregelingen gemeente HilvarenbeekArt. 15, eerste lid, PWArt. 31, tweede lid, PWArt. 34, tweede lid, PWArt. 35, eerste lid, PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing bijzondere bijstand voor tandartskosten wegens onvoldoende motivering

Eiser heeft bijzondere bijstand aangevraagd voor ziekenhuishulp en tandartskosten. Het college wees deze aanvragen af, waarna eiser bezwaar maakte. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de kosten van het verplichte eigen risico terecht is, omdat deze kosten voor alle zorgverzekerden gelden en uit het bijstandsniveau betaald moeten worden.

Voor de tandartskosten geldt dat de Zorgverzekeringswet als voorliggende voorziening wordt beschouwd, ook als eiser niet aanvullend verzekerd is. De beleidsregels van de gemeente Hilvarenbeek voorzien in bijzondere bijstand voor personen die tijdelijk uitgesloten zijn van aanvullende verzekering, maar deze term is niet gedefinieerd. Het college kon niet aantonen dat eiser tijdelijk was uitgesloten, waardoor de afwijzing onvoldoende gemotiveerd is.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het besluit voor zover het de tandartskosten betreft en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens wordt het griffierecht aan eiser vergoed en wordt het college veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van bijzondere bijstand voor tandartskosten wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 22/567 PW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 mei 2023 in de zaak tussen

[naam eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.A.C. Cools),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek, college.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 december 2021 (bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep op 17 mei 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en namens het college mr. M.J.M. Morel en [vertegenwoordiger verweerder] .

Beoordeling door de rechtbank

1. Eiser heeft op 24 mei 2020 en op 12 oktober 2020 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor ziekenhuishulp en voor tandartskosten.
Bij besluit van 19 juni 2020 (primair besluit I) en bij besluit van 16 december 2020 (primair besluit II) heeft het college eisers aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de primaire besluiten.
Met het bestreden besluit zijn de bezwaren tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.
2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de aanvragen voor bijzondere bijstand wel voor toewijzing in aanmerking komen. Eiser is van mening dat hij hiervoor voldoende gegevens heeft aangeleverd. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op artikel 20, vijfde lid, van de Beleidsregels minimaregelingen gemeente Hilvarenbeek.
3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.
Kosten in verband met het verplichte eigen risico
3.1
In artikel 35, eerste lid, van de PW is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de individuele inkomenstoeslag, de studietoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.
De kosten waarvoor eiser bijstand heeft aangevraagd zijn het gevolg van het bestaan van het verplicht eigen risico in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen (CRvB 21 februari 2012, LJN BV6493) betreft dit een algemene maatregel die voor alle zorgverzekerden geldt. Deze kosten moeten worden voldaan uit het inkomen op bijstandsniveau, hetzij door middel van reservering, hetzij door middel van gespreide betaling achteraf. Het college heeft de aanvraag om bijzondere bijstand voor deze kosten dan ook terecht afgewezen.
Tandartskosten
3.2
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de PW bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRVB van 20 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3652) dient voor de kosten van een tandheelkundige behandeling de Zvw, mede gelet op artikel 2.7 van het Besluit zorgverzekering, in beginsel als een aan de PW voorliggende, toereikende en passende voorziening te worden beschouwd. De omstandigheid dat eiser niet aanvullend verzekerd is en om die reden de kosten niet vergoed krijgt, maakt niet dat geen sprake is van een voorliggende voorziening (zie de uitspraak van de CRvB van 3 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:640).
In de Beleidsregels minimaregelingen gemeente Hilvarenbeek is bepaald dat voor personen die tijdelijk uitgesloten zijn van deelname aan een aanvullende verzekering, bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor noodzakelijke medische kosten. Deze kunnen nooit meer bedragen dan de vergoedingen die gegeven worden in de gemeentelijke collectieve uitgebreid aanvullende verzekering (artikel 20, vijfde lid). Wat onder “tijdelijk” moet worden verstaan is niet omschreven. Het college heeft dat ook ter zitting niet kunnen toelichten. Bij gebrek aan een definitie/toelichting heeft het college naar het oordeel van de rechtbank eiser ten onrechte tegengeworpen dat in zijn geval geen sprake is van het tijdelijk uitgesloten zijn van deelname aan een aanvullende verzekering.
Gelet op het vorenstaande heeft het college de weigering van bijzondere bijstand voor de tandartskosten niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover daarbij de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de tandartskosten is gehandhaafd.
Vervolgens moet worden bezien tot welk vervolg dit leidt. Het is niet mogelijk om de rechtsgevolgen van vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het college zal onderzoek moeten doen naar de vraag of sprake was van noodzakelijke medische kosten. Het college zal daarom worden opgedragen om een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiser, met inachtneming van deze uitspraak.
4. De rechtbank ziet verder aanleiding om te bepalen dat het college aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt het college in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.674,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 837,- per punt en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de afwijzing van de bijzondere bijstand voor de tandartskosten is gehandhaafd;
- draagt het college in zoverre op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college eiser het griffierecht van € 50,00 vergoedt;
- veroordeelt het college in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.674,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J.J. van Roij, griffier op 30 mei 2023 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.