ECLI:NL:RBZWB:2023:4073
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op terugwerkende kracht kinderbijslag wegens dwingendrechtelijke bepaling
Eiseres heeft kinderbijslag aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf het eerste kwartaal van 2021, terwijl zij meent recht te hebben op terugwerkende uitkering vanaf 1 juli 2017. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft het recht op kinderbijslag toegekend met maximaal één jaar terugwerkende kracht, conform artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Eiseres betoogt dat bijzondere omstandigheden een ruimere terugwerkende kracht rechtvaardigen, verwijzend naar artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en dat zij niet eerder kon melden dat het kind sinds 2016 bij haar woont.
De rechtbank overweegt dat de dwingendrechtelijke bepaling in artikel 14, derde lid, AKW geen ruimte laat voor belangenafweging of toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Er zijn geen zodanig bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. De Svb heeft terecht afgezien van een hoorzitting omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het verzoek om rechtstreeks beroep is niet ontvankelijk omdat niet aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wijst het verzoek om schadevergoeding af en bepaalt dat eiseres geen griffierecht terugkrijgt. Het besluit van de Svb blijft daarmee in stand en de kinderbijslag wordt toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal één jaar voor de aanvraagdatum.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en kinderbijslag wordt toegekend met terugwerkende kracht tot maximaal één jaar voor de aanvraagdatum.