ECLI:NL:CRVB:2020:1020
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht
Appellante ontving vanaf het vierde kwartaal van 2013 een tegemoetkoming voor haar gehandicapte kind, welke in 2014 werd beëindigd wegens een verlopen indicatie. In februari 2018 vroeg zij dubbele kinderbijslag aan, die met ingang van het eerste kwartaal 2018 werd toegekend. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees een verzoek om terugwerkende kracht af op grond van artikel 14, derde lid, van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW).
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat volgens de wet dubbele kinderbijslag niet met terugwerkende kracht kan worden toegekend vóór het kwartaal van aanvraag. Appellante stelde in hoger beroep dat de Svb haar had moeten informeren over de mogelijkheid tot dubbele kinderbijslag, mede omdat de Svb bekend was met een eerdere indicatie van het CIZ uit 2016.
De Raad oordeelt dat het dwingende artikel 14, derde lid, AKW geen terugwerkende kracht toestaat en dat er geen informatieplicht van de Svb bestaat. Bovendien was de Svb niet bekend met de vermeende indicatie uit 2016. De aanvraag van appellante was pas in 2018 met een indicatie geldig tot eind 2015. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van dubbele kinderbijslag met terugwerkende kracht vóór het eerste kwartaal van 2018 wordt geweigerd.