ECLI:NL:RBZWB:2023:4125
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op persoonlijke tegemoetkoming voor niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige met overheidspensioen
Belanghebbende, een Nederlandse belastingplichtige woonachtig in Duitsland, ontving een AOW-uitkering en een ouderdomspensioen uit Nederland. De inspecteur legde voor de jaren 2017 tot en met 2020 belastingaanslagen op en verklaarde de bezwaren ongegrond. Belanghebbende werd door de inspecteur aangemerkt als niet kwalificerende buitenlandse belastingplichtige, waardoor hij geen recht had op heffingskortingen en aftrekposten zoals de eigen woning en specifieke zorgkosten.
De rechtbank beoordeelde of de navorderingsaanslagen terecht waren opgelegd en of belanghebbende recht had op persoonlijke tegemoetkomingen op grond van nationaal en Unierecht. De inspecteur mocht navorderen omdat sprake was van een nieuw feit: het pensioen was publiekrechtelijk opgebouwd, waardoor het heffingsrecht over de AOW aan Duitsland toekomt. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende niet voldeed aan de voorwaarden voor kwalificerende buitenlandse belastingplichtige en dat de uitbreiding daarvan niet van toepassing was.
Op grond van vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU moet de werkstaat aftrekposten alleen toekennen indien de belastingplichtige in de woonstaat onvoldoende inkomen heeft om die aftrekposten te gebruiken. De rechtbank concludeerde dat belanghebbende in Duitsland voldoende inkomen heeft en dat het feit dat Duitsland geen belasting heft over de AOW-uitkering niet relevant is voor de beoordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard, en de belastingaanslagen en belastingrente blijven in stand.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende tegen de navorderingsaanslagen en aanslag inkomstenbelasting worden ongegrond verklaard.