ECLI:NL:RBZWB:2023:4390
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag BPM van €5.420 opgelegd door de inspecteur, die het bezwaar ongegrond verklaarde. De kern van het geschil betrof de juiste vaststelling van de historische bruto BPM, de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat, de waardevermindering wegens schade, en de vraag of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelde dat de historische bruto BPM terecht was vastgesteld op €72.078, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de auto een product van een andere EU-lidstaat was. De handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat werd vastgesteld op €13.159 op basis van een koerslijst van een vergelijkbaar voertuig. De rechtbank verwierp het beroep op een hogere waardevermindering wegens schade, omdat de gestelde schade onvoldoende aannemelijk was en deels normale gebruiksschade betrof.
De naheffingsaanslag werd daarom verminderd tot €3.746. Tevens werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens een termijnoverschrijding van drie maanden, waarvan €167 voor rekening van de inspecteur en €333 voor de Minister van Justitie en Veiligheid. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Schaik op 22 juni 2023 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Uitkomst: De naheffingsaanslag BPM wordt verminderd tot €3.746 en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.