ECLI:NL:RBZWB:2023:4391
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag BPM van € 927 opgelegd door de inspecteur. De kern van het geschil betrof de waardevermindering van het motorrijtuig wegens schade en schadeverleden, alsmede het recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat een hogere waardevermindering dan 72% van het schadebedrag in aanmerking genomen moest worden, noch dat er sprake was van waardevermindering wegens schadeverleden. De door belanghebbende overgelegde NIVRE-richtlijn werd als onvoldoende onderbouwd en te algemeen beoordeeld.
Wel heeft de rechtbank geoordeeld dat de redelijke termijn voor de behandeling van het bezwaar met twee maanden is overschreden. Op grond daarvan is belanghebbende een immateriële schadevergoeding van € 500 toegekend, die volledig voor rekening van de Minister van Justitie en Veiligheid komt. Daarnaast is de Minister veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 837 en het griffierecht van € 360.
Het beroep is daarmee ongegrond verklaard, maar belanghebbende wordt gecompenseerd voor de termijnoverschrijding. De uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Schaik en griffier M.A.M. van Meer op 22 juni 2023.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van € 500 wegens termijnoverschrijding.