ECLI:NL:RBZWB:2023:4392
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging naheffingsaanslag bpm en toekenning immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag bpm van €908 die door de inspecteur was opgelegd. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Tijdens de zitting op 8 juni 2023 werd vastgesteld dat de naheffingsaanslag vernietigd moest worden.
Daarnaast was in geschil of belanghebbende recht had op een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van €500, omdat de redelijke termijn met drie maanden was overschreden. De stelling van de inspecteur dat de vergoeding aan de gemachtigde zou toekomen op grond van een 'no cure no pay'-overeenkomst werd verworpen, met verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad.
De rechtbank veroordeelde de inspecteur tevens tot vergoeding van het griffierecht van €365 en proceskosten van €2.266 aan belanghebbende. De uitspraak is gedaan door rechter M.H. van Schaik op 22 juni 2023 en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.
Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt vernietigd en belanghebbende krijgt een immateriële schadevergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.