ECLI:NL:RBZWB:2023:4397
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling naheffingsaanslag BPM en immateriële schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag BPM van €2.435, omdat hij vond dat onvoldoende rekening was gehouden met de waardevermindering van zijn voertuig door schade. Hij overlegde een taxatierapport waarin schade van €19.013 werd vastgesteld, terwijl de inspecteur een hertaxatie liet uitvoeren waaruit geen schade bleek.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er sprake was van meer dan normale gebruiksschade. Het ontbreken van een inkoopfactuur verminderde de bewijskracht van het taxatierapport, en de inspecteur had de schade gemotiveerd betwist. De rechtbank wees ook het beroep op de herleidingsmethode af, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Gerechtshof.
Wel werd belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure met twee maanden. Daarnaast werd de inspecteur veroordeeld tot het betalen van proceskosten van €837 en het griffierecht van €184. Het beroep werd daarmee ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag BPM wordt ongegrond verklaard, maar belanghebbende ontvangt een immateriële schadevergoeding van €500 wegens termijnoverschrijding.