ECLI:NL:RBZWB:2023:4512
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling proceskostenvergoeding en immateriële schadevergoeding bij WOZ-waardebepaling benzinetankstation
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de WOZ-waardebepaling van een benzinetankstation en verzocht om een hogere proceskostenvergoeding voor professionele bijstand en het opstellen van een taxatierapport. De heffingsambtenaar kende een vergoeding toe met een wegingsfactor 1 en een tijdbesteding van 2 uur voor het taxatierapport. Belanghebbende was het hier niet mee eens en ging in beroep.
De rechtbank oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de werkzaamheden voor het taxatierapport 8 uur duurden en dat de taxatiemethodiek niet zodanig afweek dat een hogere wegingsfactor gerechtvaardigd was. De toegekende vergoeding bleef daarom in stand.
Daarnaast werd een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toegekend. De redelijke termijn was met 15 maanden overschreden, wat leidde tot een vergoeding van €150, waarvan €60 voor rekening van de heffingsambtenaar en €90 voor de Minister.
De proceskosten en griffierechten werden gelijkelijk verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Minister. Het beroep werd ongegrond verklaard, waarmee de eerdere proceskostenvergoeding bleef gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de hoogte van de proceskostenvergoeding wordt ongegrond verklaard, met toekenning van een beperkte immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.