ECLI:NL:RBZWB:2023:4514
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde woning en vergoeding immateriële schade wegens termijnoverschrijding
Belanghebbende is eigenaar van een 2 onder 1 kap woning met een zomerhuisje en berging op een perceel van 255 m2. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van de woning per 1 januari 2020 vast op €302.000 en legde een aanslag OZB op. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze waarde en stelde een lagere waarde van €260.000 voor. De heffingsambtenaar handhaafde de waarde en het beroep bij de rechtbank richtte zich op de vraag of de waarde te hoog was vastgesteld.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de heffingsambtenaar, die een taxatie en vergelijkingsmethode toepaste met drie referentiewoningen. De rechtbank vond de gehanteerde methode en onderbouwing voldoende en verwierp de kritiek van belanghebbende op de berekeningswijze en het ontbreken van bepaalde indexeringscijfers. De waarde van €302.000 werd als niet te hoog vastgesteld.
Daarnaast maakte belanghebbende aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure. De rechtbank stelde vast dat de termijn met vijf maanden was overschreden en kende een vergoeding toe van €50, verdeeld over de heffingsambtenaar (€20) en de Minister van Justitie en Veiligheid (€30). Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend aan belanghebbende, waarbij de kosten gelijkelijk werden verdeeld tussen de heffingsambtenaar en de Minister.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de WOZ-beschikking en aanslag OZB, en legde de vergoedingen en proceskostenverdeling vast.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €302.000 blijft gehandhaafd; belanghebbende krijgt een beperkte vergoeding voor immateriële schade wegens termijnoverschrijding.