ECLI:NL:RBZWB:2023:4577
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen vaststelling WOZ-waarde woning te Tilburg
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning te Tilburg, welke door de heffingsambtenaar was vastgesteld op €479.000 per 1 januari 2020. De rechtbank beoordeelde of deze waarde te hoog was vastgesteld aan de hand van de vergelijkingsmethode, waarbij verkoopprijzen van vergelijkbare woningen in de omgeving werden betrokken.
De heffingsambtenaar onderbouwde de waarde met een taxatiematrix en verkoopgegevens van vergelijkingsobjecten. Belanghebbende stelde dat de waarde maximaal €386.000 zou moeten zijn en voerde onder meer aan dat de KOUDV-factoren niet waren verstrekt en dat de indexering onvoldoende inzichtelijk was gemaakt. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar de waarde voldoende had onderbouwd en dat het niet verstrekken van KOUDV-factoren niet tot een gegrond beroep leidde.
Verder werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep met circa vijf maanden was overschreden. De rechtbank kende daarom belanghebbende een immateriële schadevergoeding van €50 toe en vergoedde tevens proceskosten. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de WOZ-waarde en aanslag gehandhaafd blijven.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en de waarde van €479.000 gehandhaafd, met een vergoeding van immateriële schade en proceskosten aan belanghebbende.