ECLI:NL:RBZWB:2023:4803
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen recht op zelfstandigen- en startersaftrek wegens niet voldoen urencriterium
Belanghebbende startte op 13 oktober 2020 een eenmanszaak en besteedde in dat jaar ruim 550 uur aan zijn onderneming. Hij claimde geen zelfstandigenaftrek of startersaftrek in zijn aangifte, maar diende bezwaar in tegen de aanslag waarin hij deze aftrekken wilde toepassen. De inspecteur wees het bezwaar af omdat belanghebbende niet voldeed aan het urencriterium van 1.225 uur per kalenderjaar.
Belanghebbende voerde aan dat het urencriterium naar rato van de periode waarin hij ondernemer was zou moeten worden toegepast, verwijzend naar de Arbeidstijdenwet en het evenredigheidsbeginsel. De rechtbank overwoog dat wetten niet aan algemene rechtsbeginselen kunnen worden getoetst tenzij bijzondere omstandigheden zich voordoen, wat hier niet het geval is. De parlementaire geschiedenis toont aan dat het urencriterium bewust niet naar rato wordt toegepast.
Daarnaast stelde belanghebbende dat hij op basis van informatie van de Kamer van Koophandel en de Belastingdienst mocht aannemen dat hij recht had op de aftrekken, een beroep op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank verwierp dit omdat de stukken niet waren overgelegd en niet was aangetoond dat belanghebbende anders had gehandeld bij volledige informatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de aanslag en belastingrente, en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan het urencriterium voor zelfstandigen- en startersaftrek.