Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Inleiding en feiten
De [automerk] Partner kent. [kenteken] is in zijn originele staat gekeurd. Dit is met meerdere voertuigen gedaan en goedgekeurd.”
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft een motorrijtuig geregistreerd en verzocht om toepassing van het bijzonder tarief voor paardenvervoer. De inspecteur wees dit verzoek af omdat het voertuig niet voldeed aan de inrichtingseisen. Belanghebbende voerde aan dat het voertuig geschikt was voor het vervoer van kleine paarden en niet beroepsmatig werd gebruikt.
De rechtbank beoordeelde dat de wettelijke norm dat het voertuig 'ingericht moet zijn voor het vervoer van paarden' een open norm is, waarbij de inrichting afhankelijk is van het type voertuig en paard. Na bestudering van de overgelegde foto's concludeerde de rechtbank dat het voertuig niet specifiek was aangepast voor paardenvervoer. Latere aanpassingen konden niet worden meegewogen omdat het verzoek en de beslissing daarop betrekking hadden op de situatie op het moment van het verzoek.
Belanghebbende stelde dat vergelijkbare voertuigen wel het tarief kregen, maar kon geen concreet gelijk geval aantonen. De verklaring over RDW-keuring was niet relevant voor de belastingheffing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de beschikking van de inspecteur en wees terugbetaling van griffierecht en proceskosten af.
Uitkomst: Het verzoek om toepassing van het bijzonder tarief voor paardenvervoer is terecht afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.