ECLI:NL:RBZWB:2023:485
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen voorziening voor gecorrigeerde managementvergoedingen wegens gebrek aan redelijke mate van zekerheid
Belanghebbende maakte bezwaar tegen navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting over de jaren 2015, 2016 en 2017, waarin de inspecteur bepaalde personeelskosten corrigeerde. De rechtbank behandelde de beroepen en stelde vast dat voor 2016 een aanvullend bedrag aan personeelskosten van €4.580 in aftrek kan worden gebracht, waardoor het beroep voor dat jaar gegrond is.
De kern van het geschil betrof de vraag of voor de gecorrigeerde personeelskosten een voorziening kon worden gevormd. De rechtbank overwoog dat op grond van het Baksteenarrest een voorziening alleen kan worden gevormd als er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de toekomstige uitgaven zich zullen voordoen en dat deze uitgaven hun oorsprong vinden in feiten of omstandigheden voorafgaand aan de balansdatum.
De rechtbank concludeerde dat deze redelijke mate van zekerheid ontbrak. De managementovereenkomsten bepaalden dat vergoedingen afhankelijk zijn van daadwerkelijk gewerkte uren en dat betaling pas volgt na ontvangst van correcte facturen. Bovendien waren de vergoedingen slechts voor twee jaar vastgelegd en was de omzet van belanghebbende laag, zonder dat er aanwijzingen waren dat dit zou veranderen.
Daarom kon geen voorziening worden gevormd voor de gecorrigeerde personeelskosten over 2015 en 2017. De navorderingsaanslagen voor die jaren werden gehandhaafd. Voor 2016 werd de aanslag verminderd en de verliesverrekeningsbeschikking aangepast. Tevens werd de inspecteur veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan belanghebbende.
Uitkomst: Het beroep voor 2016 is gegrond met vermindering van de navorderingsaanslag; de beroepen voor 2015 en 2017 zijn ongegrond verklaard.