Belanghebbende heeft verzocht om teruggaaf van dividendbelasting over de jaren 2011 tot en met 2014, welke verzoeken door de inspecteur zijn afgewezen. Na afwijzing van bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank heeft partijen gelegenheid gegeven tot nadere motivering naar aanleiding van arresten van de Hoge Raad.
De rechtbank oordeelt dat de inspecteur terecht heeft geweigerd tot teruggaaf over te gaan. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door het niet toekennen van afdrachtvermindering aan buitenlandse beleggingsinstellingen die niet inhoudingsplichtig zijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende vergelijkbaar is met een fiscale beleggingsinstelling, met name niet inzake de aandeelhouderseisen en de dooruitdelingseis.
De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 23 oktober 2020 waarin is bevestigd dat de aandeelhouderseisen niet in strijd zijn met het Unierecht en dat de bewijslast bij het beleggingsfonds ligt. Belanghebbende heeft geen inzicht gegeven in de samenstelling van het aandeelhoudersbestand en heeft onvoldoende feiten aangevoerd om aan te tonen dat aan de dooruitdelingseis is voldaan.
Ook indien sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering van het vrije kapitaalverkeer, zou dit belanghebbende niet baten omdat rechtsherstel op overeenkomstige wijze zou moeten plaatsvinden, waarbij teruggaaf niet hoger kan zijn dan de vervangende betaling. De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.