ECLI:NL:RBZWB:2023:5247
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking en afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-hoofdverblijf op opgegeven adres
Eiser ontving bijstand tot 21 maart 2021 en kreeg vanaf 22 maart 2021 een uitkering naar de norm voor alleenstaanden toegekend voor een studio aan een ander adres. Het college trok de uitkering in en vorderde teveel betaalde bijstand en bijzondere bijstand terug, omdat uit onderzoek bleek dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Eiser diende een nieuwe aanvraag in, die werd afgewezen op dezelfde grond.
Eiser maakte bezwaar tegen beide besluiten, maar het bezwaar tegen de intrekking werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het bezwaar tegen de afwijzing van de nieuwe aanvraag werd ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf daadwerkelijk op het opgegeven adres had, omdat hij overdag vrijwel altijd bij zijn vriendin verbleef en zijn persoonlijke verzorging en dagelijkse bezigheden daar plaatsvonden.
De rechtbank concludeerde dat het centrum van eisers maatschappelijk leven zich op het adres van zijn vriendin bevond en dat alleen slapen in de studio onvoldoende is om van hoofdverblijf te spreken. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en afwijzing van de bijstandbesluiten bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de intrekking en afwijzing van de bijstandsuitkering bevestigd.