ECLI:NL:CRVB:2019:1670
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet-hoofdverblijf op opgegeven adres
Appellant ontving sinds 2009 bijstand en stond ingeschreven op een adres als hoofdverblijf. Naar aanleiding van een anonieme tip startte het college een onderzoek naar zijn woonsituatie. Uit het onderzoek, waaronder waterverbruikgegevens en huisbezoeken, bleek dat appellant een extreem laag waterverbruik had, wat de Raad eerder als indicatie voor niet-hoofdverblijf heeft beoordeeld.
Het college trok daarom bij besluit van 8 maart 2017 de bijstand met terugwerkende kracht in vanaf 4 november 2014. Appellant maakte bezwaar en diende daarna een nieuwe aanvraag in, waarbij hij opnieuw verklaarde op het adres te wonen. Ook deze aanvraag werd afgewezen wegens het ontbreken van gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat hij wel op het adres verbleef, onder meer door verblijf bij familie en douchen elders. De Raad oordeelde dat appellant het lage waterverbruik en de overige feiten onvoldoende had weerlegd. Ook het huisbezoek in april 2017 toonde een weinig bewoonde woning zonder persoonlijke spullen.
De Raad bevestigde daarom de intrekking en afwijzing van de bijstand, omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde of dat er gewijzigde omstandigheden waren. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag worden bevestigd vanwege het ontbreken van hoofdverblijf op het opgegeven adres.