ECLI:NL:RBZWB:2023:584
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens vermogen boven vermogensgrens
Verzoekster ontving een bijstandsuitkering die het college van burgemeester en wethouders van Breda heeft ingetrokken per 1 oktober 2021 vanwege het bezit van vermogen boven de toegestane vermogensgrens. Dit vermogen bestond uit ontvangen dwangsommen die verzoekster niet had gemeld, hoewel deze op de uitkeringsspecificatie stonden. Verzoekster maakte bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft omdat zij geen middelen heeft om in haar bestaan te voorzien. De rechter stelt vast dat de dwangsommen volgens vaste rechtspraak wel als vermogen gelden en dat het college terecht het vermogen boven de vermogensgrens heeft vastgesteld. Het betoog van verzoekster dat het terugvorderingsbedrag van het vermogen moet worden afgetrokken faalt omdat de schuld pas na de bijstandverlening is vastgesteld.
Hoewel het college het besluit op een verkeerde grondslag nam en de 30-dagen regel niet toepaste, kunnen deze gebreken in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Verzoekster mocht niet vertrouwen op het doorbetalen van de uitkering ondanks de vermogensoverschrijding. De belangenafweging over evenredigheid moet het college nog maken. De voorzieningenrechter ziet geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening en wijst het verzoek af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wordt afgewezen.