Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet. Het college stelde bij besluit vast dat haar vermogen de vrij te laten vermogensruimte overschreed nadat zij dwangsommen ontving. Hierdoor werd de bijstand over een korte periode ingetrokken en een bedrag van €340 teruggevorderd, met een inhouding van 10% van de bijstandsnorm ter aflossing.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onterecht had teruggevorderd en dat de berekening van het vermogen onjuist was. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de terugvordering te baseren op artikel 54, derde lid, in combinatie met artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet. De overschrijding van het vrij te laten vermogen was terecht vastgesteld en rechtvaardigde de onderbreking van de bijstand.
Verder stelde appellante dat het college rekening had moeten houden met de beslagvrije voet bij de inhouding, maar zij heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar inkomen hierdoor onder de beslagvrije voet zou zijn gekomen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de totale procedure binnen de redelijke termijn was gebleven.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af. Het college wordt wel verplicht het betaalde griffierecht aan appellante te vergoeden.