Belanghebbende heeft leningen verstrekt aan haar minderheidsaandeelhouders die in 2015 oninbaar bleken. De inspecteur herzag het verlies over 2015 omdat hij de leningen onzakelijk achtte en de afwaardering niet ten laste van de winst kon worden gebracht. De rechtbank beoordeelde dat sommige leningen zakelijk waren en andere onzakelijk. Het voorzien in een adequaat bestuur was geen bijzondere omstandigheid die het onzakelijk karakter wegneemt.
De rechtbank oordeelde dat de inspecteur over een nieuw feit beschikte om de herziening te rechtvaardigen. Het vertrouwensbeginsel stond de herziening niet in de weg. De afwaardering van lening [B.V. 6] I valt niet onder de earn-outregeling van artikel 13, zesde lid, Wet Vpb.
De leningen [B.V. 6] I en II waren zakelijk, verstrekt om een adequaat bestuur te waarborgen, en konden worden afgeschreven. De leningen [B.V. 6] III en [B.V. 4] I waren onzakelijk door ontbreken van looptijd, aflossingsverplichting en zekerheden, en konden niet worden afgeschreven. De leningen [B.V. 6] IV en [B.V. 4] II betroffen creditering van managementvergoeding en waren niet onzakelijk.
Omdat de afwaarderingen niet per lening waren uitgesplitst, heropent de rechtbank het onderzoek om de hoogte van het verlies per lening vast te stellen. Belanghebbende en de inspecteur krijgen gelegenheid aanvullende gegevens te verstrekken. De beslissing wordt aangehouden tot nadere vaststelling.