Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2023 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
Beroepsgronden
Wettelijk kader
Beoordeling door de rechtbank
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiseres ontving sinds oktober 2019 een bijstandsuitkering, laatstelijk als alleenstaande ouder. Het college vermoedde dat zij vanaf januari 2020 niet haar hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en startte een onderzoek. Eiseres verscheen niet op een gesprek en leverde geen gevraagde stukken aan, waarna het college de uitkering opschortte. Na een sociaal recherchegesprek en huisbezoeken concludeerde het college dat eiseres niet op het uitkeringsadres woonde tot eind februari 2022, waarna het recht op uitkering werd ingetrokken over die periode.
Eiseres voerde aan dat de ingangsdatum van de intrekking onduidelijk was, dat zij in september 2020 wel thuis was aangetroffen, en dat bijzondere omstandigheden zoals de medische situatie van haar kind en de coronapandemie niet waren meegewogen. De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat het hoofdverblijf van eiseres niet op het uitkeringsadres lag, dat de verklaringen en onderzoeksbevindingen dit ondersteunen, en dat de ingangsdatum terecht is vastgesteld op 1 januari 2020.
De rechtbank verwierp het beroep op de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel wegens gebrek aan onderbouwing en bewijs. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen, en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.