ECLI:NL:RBZWB:2023:6411
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Volledige toepassing eigenwoningvrijstelling na ontbinding schenking 2008
Belanghebbende ontving in 2018 en 2019 schenkingen van haar ouders voor haar eigen woning, waarop zij een beroep deed op de eigenwoningvrijstelling. De inspecteur stond deze vrijstelling slechts deels toe vanwege een eerdere schenking in 2008, waarop toen een eenmalig verhoogde vrijstelling was toegepast. De rechtbank beoordeelde of deze eerdere schenking uit 2008 de toepassing van de vrijstelling in 2018 en 2019 beperkt.
De rechtbank stelde vast dat de schenking uit 2008 met wederzijds goedvinden was ontbonden in 2017, waardoor feitelijk geen gebruik meer was gemaakt van de eenmalig verhoogde vrijstelling. Op grond van een kennisgroepstandpunt van de Belastingdienst moet het beroep op de vrijstelling uit 2008 dan worden weggedacht, zodat de vrijstelling voor de latere schenkingen weer volledig kan worden toegepast.
De rechtbank verwierp het verweer van de inspecteur dat het kennisgroepstandpunt niet van toepassing zou zijn omdat er geen bedongen herroeping was. De ontbinding met wederzijds goedvinden leidt volgens de rechtbank tot dezelfde fiscale gevolgen als herroeping. Omdat belanghebbende aan alle voorwaarden voor de vrijstelling voldeed, moesten de aanslagen schenkbelasting voor 2018 en 2019 worden verminderd tot nihil.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraken op bezwaar, en bepaalde dat de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.
Uitkomst: De aanslagen schenkbelasting voor 2018 en 2019 worden verminderd tot nihil vanwege volledige toepassing van de eigenwoningvrijstelling.